De implementatie van het DPP: CEO van Renoon over uitdagingen en voordelen
Het zijn de operationele vraagstukken en niet zozeer de vereisten, die knelpunten veroorzaken bij de implementatie van DPP. Wie is intern eigenaar van deze data? Onder welk budget vallen de kosten? Welke leveranciers moeten als eerste worden aangesloten? En binnen welke termijn? Dit zijn enkele van de vragen waarmee DPP-aanbieder Renoon te maken kreeg.
Het bedrijf begon als een app voor duurzame mode voor consumenten. Nu specialiseert het zich in end-to-end DPP-infrastructuur en traceerbaarheid voor de mode-industrie. Productmanagement, traceerbaarheid en compliance werden voorheen door de mode industrie als drie afzonderlijke gebieden behandeld. Renoon ziet zichzelf echter als een totaaloplossing voor de levering van het DPP. Het combineert in één proces expertise op het gebied van regelgeving, het onboarden van leveranciers, data-infrastructuur en implementatie.
Het bedrijf werkt met modemerken van verschillende groottes in heel Europa. Daardoor zijn de uitdagingen bij de implementatie ook zeer divers. Voor grote modebedrijven hebben de uitdagingen voornamelijk te maken met governance. Voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) kan de operationele capaciteit een probleem zijn. FashionUnited sprak met Iris Skrami, medeoprichtster en CEO van Renoon. Het gesprek ging over hoe merken kunnen beginnen, wat de uitdagingen en blinde vlekken op het gebied van data zijn, en hoe het delen van data het efficiëntst werkt.
Kunt u de verschillende uitdagingen, afhankelijk van de bedrijfsgrootte, toelichten?
Voor grotere bedrijven roepen de EU-regelgevingen vragen op over eigenaarschap en cross-functionele coördinatie. Ook is het de vraag waar DPP past binnen bredere digitale transformatieprogramma's. In deze organisaties is de eerste stap doorgaans een businesscase en een intern afstemmingsproces, niet de implementatie van technologie.
Kleinere bedrijven hebben kleinere teams en de middelen zijn verdeeld over minder mensen. Daarom is het idee van een meerjarig transformatieprogramma niet realistisch. Wat Renoon doorgaans met deze merken opstelt, is een gefaseerd stappenplan: waar te beginnen, welke leveranciers prioriteit te geven, en hoe de implementatie in jaar één versus jaar drie eruit kan zien. De merken die het snelst vooruitgang boeken, investeren niet per se meer. Zij nemen vroegtijdig beslissingen over eigenaarschap, betrokkenheid van leveranciers en datastrategie.
Hoe stuurt data de implementatie aan?
Een van de meest consistente bevindingen in het werk van Renoon is dat merken de hoeveelheid ontbrekende data overschatten. Tegelijkertijd onderschatten ze hoe gefragmenteerd de data is die ze wel hebben. Productinformatie staat in PLM-systemen (product life cycle, red.); operationele data bevindt zich op ERP-platforms (enterprise resource planning, red.). Certificeringen van leveranciers, traceerbaarheidsgegevens en milieudata worden beheerd via een aparte laag van processen, spreadsheets en partnerportals. De informatie bestaat, maar is niet verbonden op een manier die verifieerbaar, schaalbaar of gestructureerd is voor een paspoort op productniveau. Met andere woorden, de data is er, maar de infrastructuur en interoperabiliteit ontbreken. De echte vraag is dus vaak hoe bestaande systemen, leveranciersnetwerken en compliance-eisen binnen één raamwerk met elkaar kunnen communiceren.
Wat waren enkele van de eerste uitdagingen en wat zijn de uitdagingen nu?
In het begin was de uitdaging legitimiteit. We vroegen merken om tijd en middelen te investeren in iets wat speculatief aanvoelde. Een verordening die nog niet was gehandhaafd, een data-infrastructuur die nog niet op grote schaal bestond, en een type aanbieder waar de markt nog geen duidelijke naam voor had. Het verkrijgen van vroege partnerschappen betekende mensen overtuigen om in actie te komen voordat de meerderheid dat deed.
Nu is de uitdaging omgekeerd. Bewustzijn is niet langer het knelpunt. Wat we nu steeds zien, is dat modemerken de vereisten begrijpen, maar de interne vragen die eerst beantwoord moeten worden nog niet hebben opgelost: wie is de eigenaar, welk budget dekt de kosten, welke leveranciers krijgen prioriteit en wanneer. De frictie in de besluitvorming is verschoven van “moeten we dit doen” naar “hoe beginnen we hier eigenlijk aan.” Dat klinkt als vooruitgang, en dat is het ook, maar het introduceert een andere vorm van complexiteit. We zijn vaak net zozeer een partner in afstemming als een technische partner.
Wat was de grootste ‘blinde vlek’ op het gebied van data die u ontdekte bij het in kaart brengen van toeleveringsketens met meerdere lagen?
De aanname dat ontbrekende data betekent dat de data niet bestaat. Bij bijna elke implementatie die we hebben gedaan, overschatten merken hoeveel data ze missen en onderschatten ze hoe gefragmenteerd de data is die ze al hebben. Productinformatie bevindt zich in PLM-systemen. Operationele data staat op ERP-platforms. Certificeringen, milieugegevens en traceerbaarheidsdocumentatie zijn verspreid over spreadsheets, leveranciersportals en e-mailketens. De data bestaat, maar is niet verbonden op een manier die verifieerbaar of gestructureerd is voor een paspoort op productniveau.
”De grootste blinde vlek op het gebied van data is de aanname dat ontbrekende data betekent dat de data niet bestaat.“
De echte blinde vlek zit in de tweede en derde laag van de keten. Merken hebben over het algemeen een redelijk inzicht in hun directe fabrikanten. Maar de materialen, de kleurstoffen, de chemische inputs; die komen van leveranciers waar hun leveranciers weer van inkopen. Daar bevinden zich de echte onbekenden, en dat is ook waar het DPP uiteindelijk het meeste werk zal vereisen.
Hoe gaat u om met leveranciers die terughoudend zijn in het delen van bedrijfseigen informatie over hun faciliteiten of chemische inputs?
Met veel geduld en een duidelijk onderscheid tussen wat het DPP daadwerkelijk vereist en wat merken soms vragen. Leveranciers beschermen vaak concurrentiegevoelige informatie: de specifieke processen, formules of inkooprelaties die hen onderscheiden. Dat is legitiem. Voor DPP-compliance is niet hun recept nodig, maar verifieerbare kenmerken. Die kunnen meestal zo worden gestructureerd dat bedrijfseigen details beschermd blijven, terwijl er toch een conform en geloofwaardig paspoort wordt geproduceerd.
Een deel van ons werk is merken helpen betere gesprekken te voeren met hun leveranciers. We kaderen dit niet als een audit, maar als een gezamenlijk infrastructuurprobleem. Leveranciers die begrijpen dat het DPP er hoe dan ook komt en dat een vroege voorbereiding hen positioneert als voorkeurspartner, stellen zich anders op dan degenen die het gevoel hebben dat ze onder de loep worden genomen.
Op welk punt in het productieproces wordt de digitale drager (QR-code) daadwerkelijk toegewezen: in het vezelstadium of zodra het kledingstuk klaar is?
In de praktijk varieert dit per toepassing en productcomplexiteit. De meest voorkomende aanpak die we zien is de toewijzing van de drager in de fase van het eindproduct, meestal tijdens de eindproductie of voor verzending. Dat is namelijk het punt waarop een stabiele, unieke productidentiteit betrouwbaar kan worden vastgesteld. Eerder toewijzen creëert uitdagingen voor de continuïteit van de traceerbaarheid: een partij vezels of een rol stof komt niet één-op-één overeen met een afgewerkte SKU [stock keeping unit, red.], zeker niet bij snij- en naaiprocessen met rendementsvariatie.
Dat gezegd hebbende, voor merken die prioriteit geven aan diepgaande traceerbaarheid van materialen, waarbij de herkomst van een specifieke partij vezels van belang is voor de DPP-claim, werken we wel met upstream datakoppelingen die met terugwerkende kracht aan het paspoort worden gekoppeld. De QR-code op het kledingstuk verwijst naar een paspoort dat data kan bevatten die op meerdere eerdere punten in de keten zijn verzameld, zelfs als de drager zelf pas aan het einde is aangebracht.
Hoe zorgen u en uw klanten ervoor dat de digitale ID ‘levend’ en leesbaar blijft na jaren van wasbeurten of intensief gebruik?
Dit is deels een vraag over fysieke duurzaamheid en deels een vraag over data-architectuur, en beide zijn van belang. Aan de fysieke kant moet de dragertechnologie zelf, of het nu een geweven label, een heat-transfer of een ingebedde chip is, worden gespecificeerd voor de verwachte levenscyclus van het product. Een QR-code op een papieren hangtag dient een ander doel dan een code die in een waslabel is geweven of in een NFC-chip is gecodeerd. Voor producten met een lange of intensieve gebruikscyclus is het gesprek over de specificaties onderdeel van de implementatie-scoping.
Aan de datakant is de belangrijkere vraag wat er in de loop van de tijd gebeurt met de onderliggende paspoortinfrastructuur. De fysieke drager is namelijk alleen zo nuttig als het eindpunt waarnaar het verwijst. Renoon bouwt DPP-infrastructuur met datapersistentie en URL-stabiliteit als niet-onderhandelbare vereisten. Een scan over vijf jaar moet leiden tot een geldig, actueel record, niet tot een verbroken link. Dat is minder glamoureus dan de QR-code zelf, maar het is waar de meeste DPP-implementaties stilletjes zullen falen als ze er niet vanaf het begin rekening mee houden.
Tot slot, wat motiveerde u om af te stappen van een consumentgerichte app en over te gaan naar een platform dat gespecialiseerd is in Digitale Productpaspoorten en traceerbaarheid van de toeleveringsketen?
Het eerlijke antwoord is dat de consumentenapp ons iets heeft geleerd wat we op geen enkele andere manier hadden kunnen leren: consumenten willen transparantie, maar merken bepalen of die er is. Je kunt de mooiste productontdekkingservaring bouwen, maar die bereikt een plafond op het moment dat de onderliggende data ontbreekt. We liepen steeds tegen dezelfde muur aan. Het was geen vraagprobleem, maar een structureler probleem. De informatie die merken over hun eigen producten hebben is gefragmenteerd, niet-geverifieerd en niet ontworpen om op productniveau te worden gedeeld. Op een gegeven moment werd het duidelijk dat het belangrijkere probleem stroomopwaarts moest worden opgelost. De DPP-regelgeving gaf dat werk een deadline, maar de infrastructurele kloof die we aan het overbruggen waren, bestond al lang voor de regelgeving.
Het interview is schriftelijk afgenomen.
Dit artikel is in het Nederlands vertaald met behulp van een AI-tool.
FashionUnited gebruikt AI taaltools om het vertalen van (nieuws)artikelen te versnellen en de vertalingen te proeflezen om het eindresultaat te verbeteren. Dit bespaart onze menselijke journalisten tijd die ze kunnen besteden aan onderzoek en het schrijven van eigen artikelen. Artikelen die met behulp van AI zijn vertaald, worden gecontroleerd en geredigeerd door een menselijke bureauredacteur voordat ze online gaan. Als je vragen of opmerkingen hebt over dit proces, stuur dan een e-mail naar info@fashionunited.com.