Europees 'vernietigingsverbod' is officieel van kracht: een historische dag voor de mode?

Vanaf 19 juli mogen kledingmerken hun overtollige stock niet meer verbranden of het op wat voor manier dan ook laten 'vernietigen'. Daarmee wordt het minder interessant om in bulk te bestellen bij de fabriek, oftewel: grote bestellingen voor een lage kostprijs. Voortaan moet die afnemer boeten voor wat er overblijft.

'Ban on destruction of unsold goods' in het kort

In Europa wordt jaarlijks naar schatting vier tot negen procent van de onverkochte kleren vernietigd nog voor ze ooit gedragen zijn. Deze verspilling genereert volgens EU-data ongeveer 5,6 miljoen ton CO2-uitstoot – zo'n beetje de totale netto-uitstoot van Zweden in 2021. Alleen al in Frankrijk wordt jaarlijks voor zo'n 630 miljoen euro aan onverkochte non-food producten vernield, zo meldt de Fashion Law. Een aanzienlijk deel komt van retours.

Om het probleem aan te pakken werd in Brussel een instrument bedacht als onderdeel van de Ecodesign-verordening (ESPR): een verbod op de vernietiging van onverkochte kleding, kledingaccessoires en schoenen. Professionals spreken ook wel van de 'ban on destruction of unsold goods.' Lidstaten bepalen zelf hoe hoog de boete voor overtreders uitvalt, en wie controleert op handhaving (in Nederland bijvoorbeeld de ILT en NVWA).

Bij het verbod komt ook een rapportageplicht: grote bedrijven moeten vanaf februari 2027 in een standaard format openbaar maken hoeveel onverkochte producten ze weggooien en wat ermee gebeurt (zoals recycling of storten). Voor kleinere bedrijven gaan beide verplichtingen pas in 2030 in. Voorlopig wegen de veranderingen dus alleen op een Zara of Shein.

Wat is 'vernietiging'?

De definitie van 'vernietiging' in de ESPR richt zich op de onderkant van de afvalhiërarchie (de waste pyramid). Het gaat om producten die met opzet worden gestort, verbrand, of verwerkt voor energierecuperatie, nadat ze bewust als afval zijn bestempeld.

Als een bedrijf de kleding doneert, tweedehands doorverkoopt (re-use) of vermaakt tot iets nieuws (upcycling), valt dat buiten het verbod. Ondanks die goede circulaire bedoelingen, creëert zo'n definitie ook een maas in de wet. Veelgehoorde kritiek is dat grote bedrijven met goede juridische expertise omwegen vinden om het probleem te exporteren, door onverkochte voorraden massaal als 'tweedehands kleding' of 'restpartij' te verkopen aan handelaren buiten de EU (bijvoorbeeld in West-Afrika of Latijns-Amerika). Op papier is het dan re-use (en dus legaal), maar in de praktijk is een enorm deel van die kleding onverkoopbaar en belandt het alsnog op gigantische textielafvalbergen in het buitenland. Niet het probleem van de merken, want eenmaal daar, zijn de EU-regels niet meer van kracht.

Kans voor deadstock textiel

Merken en ateliers met mooie stoffen zien in de verplichting ook een welkome uitdaging om nieuwe mode te maken van 'deadstock': stoffen of hele kledingstukken die overblijven. Al langer was bekend dat die vorm van hergebruik leidt tot spannende mode én een positieve milieu-impact. Platformen zoals Nona Source, in 2021 gelanceerd door LVMH als onderdeel van zijn milieustrategie, verbinden ontwerpers met 'archiefstoffen' en -leer van grote luxehuizen tegen 'competitieve prijzen'. Voorlopig zijn die stoffen enkel leverbaar binnen Europa. Door de ESPR krijgt zo'n business mogelijk een boost.

Reacties uit de branche

Uiteindelijk is de ESPR er niet alleen om de industrie van binnenuit te verduurzamen, maar ook om consumenten wegwijs te maken in de weinig transparante mode-industrie. "De wet heeft een belangrijke waarde, omdat ze zowel bedrijven als consumenten bewust maakt van de noodzaak om verspilling tegen te gaan", zegt Lizbeth Nowé, directeur van de Belgische branchevereniging Creamoda.

Bij de impact van de wet op de Benelux heeft ze haar vraagtekens. Lokale merken produceren er relatief kleine aantallen; in de praktijk vinden die stukken toch al een tweede bestemming langs de sale, een braderie, outlet of opkopers die de restanten overnemen. De wet bevestigt voor die landen vooral de praktijk, en dwingt bedrijven om daar voortaan cijfers over bij te houden.

Nowé merkt ook op dat er aardig wat uitzonderingen op de regels zijn. Onveilige producten, kledij die inbreuk maakt op intellectuele eigendom, te beschadigde of vervuilde stukken, en producten die na acht weken actief te koop of te schenken aanbieden alsnog geen afnemer vinden, mogen wél vernietigd worden. Zolang een merk kan aantonen dat het die stappen heeft doorlopen, verandert er dus weinig.

Illustratieve afbeelding van textiel- en kledingafval Credits: AI image generated by FashionUnited

Aan de andere kant voorziet ze, door de nieuwe douaneregels die pakketjes naar Europa heviger belasten, dat platformen zoals Shein hun model verder verschuiven naar Europese voorraad- en distributiecentra. Dan is het niet ondenkbaar dat ook het volume aan onverkochte goederen binnen de EU toeneemt, en wordt het verbod voor die spelers "heel relevant."

Nowé legt uit: "Voor internationale platformen wordt het nu minder aantrekkelijk om rechtstreeks vanuit China naar Europese consumenten te shippen. Sommige spelers zullen kiezen voor distributie vanuit magazijnen op EU-grondgebied, daarmee verschuift ook het risico. Bedrijven moeten de vraag vooraf gaan inschatten. Fouten in die voorspellingen kunnen leiden tot grotere voorraden, meer retouren en mogelijk ook meer overtollige of onverkochte goederen binnen de EU. Die producten op Europees grondgebied moeten dan een alternatieve bestemming krijgen, zoals doorverkoop, hergebruik of schenking."

Daar komt wel enige nuance bij. De juridische beoordeling hangt af van verschillende factoren, zoals wie eigenaar is van de goederen, of de producten op de EU-markt zijn gebracht en welke partij uiteindelijk beslist over het afvoeren of vernietigen van de goederen.

Duitse branchevereniging Gesamtverband textil+mode neemt een feller standpunt in en stelt dat de nieuwe maatregel aan de realiteit voorbijgaat en de binnenlandse industrie vooral belast met nog meer onzinnige bureaucratie.

Jonas Stracke, hoofd Circulaire Economie en Grondstoffenefficiëntie bij de vereniging: "Geen enkele Duitse of Europese fabrikant vernietigt zomaar nieuwe goederen, al is dat wel de indruk die de naam van de wet wekt." Volgens de expert heeft de kleding voor de lokale mkb-ondernemers nog waarde, en gaan overschotten in de praktijk naar outlets of het goede doel. Alleen minimale hoeveelheden die door transport (zoals besmetting met schimmel) of flinke productiefouten onbruikbaar zijn, worden afgedankt.

Stracke: "Voor meer duurzaamheid zijn vooral goed functionerende inzamelings-, sorteer- en recyclingstructuren nodig, evenals een markt voor gerecyclede textielvezels. Zolang die voorwaarden in de EU ontbreken, blijft ook het vernietigingsverbod met al zijn extra administratieve rompslomp louter een papieren tijger."

Beeld gegenereerd met AI, ter illustratie van kledingafval. Credits: FashionUnited

De grootste frustratie van de Duitse bond zit in het feit dat Europese modemerken nieuwe regelgeving krijgen, terwijl dagelijks honderdduizenden pakketjes met goedkope Aziatische ultra-fast-fashion de markt binnenkomen — weliswaar beter gereguleerd sinds afgelopen maand. Omdat deze platformen vaak geen Europees hoofdkantoor hebben, blijft het juridisch lastig om de overproductie die zij veroorzaken aan te pakken, terwijl het goedkope textiel wel de lokale kledingcontainers verstopt.

In Spanje vallen door de aanwezigheid van modegiganten zoals Inditex (moederbedrijf Zara) relatief veel bedrijven binnen de eerste lichting die aan de wet moet voldoen. Gema Gómez, vicepresident van de Asociación de Moda Ética y Sostenible (AMES), vindt het voor die bedrijven best veel tegelijk: nieuwe eisen op het gebied van ecodesign, Digitale Product Paspoorten, Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV), gepaste zorgvuldigheid (due diligence), regels voor minder greenwashing en méér transparantie.

Ondanks deze druk ziet Gómez dat veel mkb-bedrijven de kat uit de boom kijken: "In veel gevallen wachten ondernemingen tot het volledige regelgevingskader van kracht is voordat ze actie ondernemen." Een gevaarlijke strategie, waarschuwt ze, want regelgeving is inmiddels verschoven van een puur juridische verplichting naar een strategische businesscase.

Haar grootste zorg is dat het probleem zich door de wet simpelweg verplaatst. "Nu al eindigt zo'n 80 procent van Europa's geëxporteerde oude kleding in het mondiale Zuiden." Gómez vreest dat merken, bij gebrek aan opties in Europa, hun overschotten over de grens verschepen en het daar alsnog laten vernietigen.

Over de ESPR is ze kritisch doch hoopvol: "Een écht circulaire economie wordt niet alleen afgemeten aan hoeveel kleding we weten te redden, maar aan hoe we de productie van het teveel in de eerste plaats kunnen beperken."

Het vernietigingsverbod is terug te vinden in Artikel 25 van de Ecodesign-verordening.


OF LOG IN MET
Brussel
ESPR
Europese Commissie
Wetgeving